Wijkenbeleid

Minister Kamp (VROM) constateert in 2003 dat de aanpak van de stedelijke vernieuwing nog niet voorspoedig verloopt. De belangrijkste redenen voor de vertraging zijn het complexe en tijdrovende proces en de stagnatie in het doorstromingsproces op de woningmarkt. Voor de minister voldoende aanleiding om onder de noemer ‘Actieprogramma Herstructurering’ maatregelen te nemen om de voortgang van de stedelijke vernieuwing te stimuleren. Dit doet hij met name door focus aan te brengen binnen het Grotestedenbeleid.

56 wijken (2003)

De focus komt te liggen op een overzichtelijk aantal wijken die als voorbeeld kunnen dienen voor de rest. Daarvoor worden 56 wijken voorgedragen door de 30 grootste gemeenten. Het wijkniveau wordt gekozen omdat daar problemen het meest tastbaar zijn en de wijk het aangewezen schaalniveau is waarop samenwerkingscontracten tussen met name de gemeente en corporaties konden worden afgesloten. Het ministerie van VROM stimuleert het afsluiten van deze prestatieafspraken en stelt daar een aantal faciliteiten tegenover, bekostigd uit ISV-gelden, zoals impulsteams van externe deskundigen en het impulsbudget voor innovatieve ideeën. VROM maakt met de 56-wijkenaanpak een vertaling van de programmasturing in het ISV naar ondersteuning van de lokale uitvoering. Op deze manier hoopt het ministerie te komen tot een versnelling, hogere ambities, een voorbeeldwerking en het inzetten van de juiste middelen op de juiste plek.

40 wijken (2007)

In 2007 kiest het nieuwe kabinet na de 56-wijkenaanpak voor nog meer focus (Actieplan Krachtwijken). Minister Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie maakt bekend de wijkenaanpak aan te scherpen, zowel in thematische, geografische als financiële zin. Ze selecteert op basis van een aantal wetenschappelijk onderbouwde kengetallen veertig wijken in achttien steden met als doel deze binnen acht tot tien jaar om te vormen tot ‘prachtwijken’. In het regeerakkoord van Balkenende IV wordt hier tot 2012 een miljard euro voor uitgetrokken. Ook wordt een bijdrage van de hele corporatiesector beoogd van 750 miljoen per jaar. De thema’s wonen, werken, leren en opgroeien, veiligheid en integratie moeten in de aanpak centraal staan. Het Actieplan Krachtwijken, waarin de minister expliciet refereert aan het VROM-raad advies Stad en stijging (2006), is een aanvulling op het bestaande beleid ten aanzien van stedelijke vernieuwing (oftewel het GSB/ISV-beleid). Aanvullend op de 40 krachtwijken, wijst het Rijk in 2009 en 2010 nog 37 zogeheten ’40-pluswijken’ aan. Om te voorkomen dat deze wijken afglijden naar het niveau van de veertig aandachtswijken, wordt 60 miljoen euro beschikbaar gesteld. Ook deze investeringen zijn aanvullend op de investeringen in het kader van het Grotestedenbeleid.

Voortijdig gestopt

De hoge financiële ambities van de krachtwijkenaanpak worden niet behaald. Tot 2012 krijgen de 40 aandachtswijken inderdaad extra geld (gemiddeld 388 euro per bewoner per jaar). Het meeste geld wordt door een afgedwongen heffing ingebracht door de woningcorporaties, ook door corporaties die geen bezit hebben in de aangewezen wijken. In 2011 wordt na veel gesteggel tussen rijk en corporaties en bezwaren vanuit Europa, de zogenaamde Vogelaarheffing alweer afgeschaft. Ook het kabinet Rutte I stelt vanaf 2012 geen extra middelen meer beschikbaar voor de aandachtswijken. Het temperen van de ambities van het wijkenbeleid heeft niet alleen politieke oorzaken. Ook de economische crisis die in 2008 inzette, is hier debet aan. De woningcorporaties, de belangrijkste financiële partner in de aanpak, stellen hun investeringsmogelijkheden hierdoor drastisch bij, terwijl aspirant-kopers afhaken. De motor achter de vernieuwing stagneert: tal van herstructureringsprojecten worden in de wacht gezet of afgeblazen. In plaats van tien jaar is het wijkenbeleid slechts vier jaar financieel ondersteund. In die periode is in het kader van het krachtwijkenbeleid in totaal ruim 1 miljard euro besteed in de 40 aandachtswijken samen.